Herbert Fritsche
"Slechts het hoogste van de mens is de mens" - deze leus van Paracelsus zou ook als motto boven het leven van Herbert Fritsche kunnen staan.
Wie was deze Herbert Fritsche?
Herbert Karl Wilhelm Fritsche wordt op 14 juni 1911 in een kleinburgerlijke familie in Berlijn geboren. Hij studeert psychologie en biologie en promoveert, magna cum laude, met een onderzoek over de landpissebedden rondom Berlijn. Maar reeds in zijn school- en studententijd voelt hij zich aangetrokken door het duistere, occulte, en ontwikkelt hij een passie voor alles wat met esoterie, astrologie, yoga, zen, rozenkruisers, gnosis enzovoorts te maken heeft. Gustav Meyrink wordt zijn eerste leraar in esoterische zaken. In deze tijd verschijnen ook snel achter elkaar een aantal expressionistische dichtbundels; de literatuur is het belangrijkste leidmotief van zijn leven.
"Maar niet ongestraft bezweert men jaar voor jaar de wezens van het tussenrijk." In 1933 overvalt hem een zware angstneurose, die hem jarenlang verlamt.
In 1937 - hij schrijft net aan zijn boek Tierseele und Schöpfungsgeheimnis - valt 'toevallig' zijn oog op een boekje: het commentaar van Emil Schlegel bij Hahnemanns Organon, dat hij nog niet kent. "Toen was de teerling geworpen. Koortsachtig werkte ik Hahnemann en Paracelsus, (…) de gehele homeopathische en schoolgeneeskundige geneesmiddelleer door." Reeds eerder was Fritsche in zijn psychotherapeutische praktijk overgegaan tot het gebruik van spagyrische middelen, nadat hij de "grote vergissing van het psychologisme doorzag, dat - ook bij C.G. Jung en zijn leerlingen - ons wil doen geloven dat het in het leven om een dramatiek van 'intrapsychische realiteiten' zou gaan. Nee, dat wat groter is dan wij, dingt naar ons - aan deze en aan gene zijde. Gelukkig hij die het snel begrijpt en naar de goede oever roeit!"
Nu wordt de homeopathie het middelpunt van zijn leven, met als hoogtepunt het twaalfde internationale homeopathiecongres 1937 in Berlijn, waar hij officieel als verslaggever voor verschillende kranten, maar innerlijk reeds 'in een soort vroomzijn' aan deelneemt.
Zijn gezondheid is dermate catastrofaal dat hij voor de krijgsdienst bewaard blijft. In 1939 wordt hij gekeurd als 'arbeitsverwendungsfähig Heimat' (niet geschikt voor militaire dienst, wel om te werken), en hij wordt cultuurredacteur van een van de grootste Berlijnse dagbladen.
In 1941 wordt hij, als 'woordvoerder van een occultistisch georiënteerde biologie (ondermijning van de rassenkunde)', door de Gestapo opgepakt. Hij krijgt een schrijfverbod opgelegd en zijn boeken worden vernietigd. Nadat er van verschillende kanten druk wordt uitgeoefend om hem vrij te krijgen, mag hij voor vier weken naar de kliniek van Dr. Buchinger in Bad Pyrmont. De vier weken worden jaren. Iedere maand gaat een attest naar Berlijn dat hij op sterven ligt - en erg ver bezijden de waarheid is dat nooit geweest. In Berlijn is intussen zijn woning met 7000 boeken en vele originele kunstwerken in vlammen opgegaan.
Daarna is Fritsche jarenlang medewerker aan Buchingers vastenkliniek, totdat het doctrinarisme van de reformbeweging hem te benauwend wordt. Nog in de oorlog schrijft hij in Bad Pyrmont zijn Hahnemann-biografie, later gevolgd door Die Erhöhung der Schlange, waarin de homeopathie als wereldomvattend principe wordt uitgewerkt. Hij is overtuigd vegetariër en geheelonthouder. Jarenlang voelt hij zich aangetrokken door de christengemeenschap - totdat hij vaststelt dat daar 'nog minder vrijheid is dan bij de oude, solide firma in Rome'.
Terwijl hij door sommigen als een soort heilige wordt beschouwd, heeft zijn scherpe tong hem in Pyrmont de bijnaam Der Geier bezorgd. "Stijl is superieur aan waarheid, hij draagt zijn waarheid in zichzelf", zegt de dichter en arts Gottfried Benn, met wie Fritsche vanaf zijn zestiende lange tijd een hechte relatie onderhield. Ook hij schrikt er niet voor terug omwille van een schitterende formulering alle redelijkheid even te laten varen - en niemand is in staat hem dat kwalijk te nemen. Als innemend, charmant en charismatisch wordt hij beschreven, een uiterst stimulerende gesprekspartner met een bijzonder zintuig voor de dichtkunst en een perfect overzicht over het gehele geestesleven. Iemand die weet wat wezenlijk is, en die in staat is dat op anderen over te brengen. Een mannelijk uiterlijk, bij een heel vrouwelijk karakter. Altijd op zoek naar een tegenover, naar vriendschap, die dan ook onvoorwaardelijk is.
Fritsche blijft zijn leven lang streven naar de magische mens. "Het komt er mijns inziens tegenwoordig niet op aan de mededelingen over privéopenbaringen te vermeerderen; het enig belangrijke is reële stappen naar de homo magus toe te doen. En dat gebeurt niet door 'kennis van hogere werelden', maar door een gecontroleerd en controleerbaar occult werken in deze wereld."
Hij wordt lid van de O.T.O. (ordo templi orientalis), patriarch van de GKK (gnostisch-katholieke kerk) en grootmeester van de FRA (fraternitas rosicruciana antiqua). Zijn sympathieën voor Aleister Crowley bespoedigen de breuk met zijn vaderlijke vriend, Otto Buchinger.
In 1953 verhuist Herbert Fritsche, met zijn tweede vrouw, haar twee dochters en een eigen kindje van een half jaar, naar een voorstad van Stuttgart, in de hoop op een nieuw begin. Maar zijn geplande boeken - over de geschiedenis van de geneeskunst van Hufeland tot Bircher-Benner, een cultuurgeschiedenis van de tuberculose, een compilatie van de werken van Emil Schlegel, een sjamanenboek en biografieën van Franz Anton Mesmer en Jung-Stilling - blijven ongeschreven. Sinds jaren door galkolieken geplaagd, besteedt hij het beetje tijd dat hem tussen de aanvallen door rest, met het schrijven van schitterende, geestrijke brieven aan vrienden.
Eenzaam en arm zijn zijn laatste jaren. Zijn boeken van vroeger worden nauwelijks gelezen, en voor de honderden tijdschriftenartikelen, die hij voor allerlei vakbladen schrijft, worden amper zichtbare honoraria betaald. Door rijke mensen laat hij zich als een soort hofnar misbruiken. Gedurende een paar jaar geeft hij in München les aan een school voor homeopathie. Het openen van een eigen homeopathiepraktijk stelt hij steeds weer uit omdat hij zijn kennis van de materia medica daarvoor niet voldoende acht.
Een week na zijn 49e verjaardag zet hij de stap 'naar de andere kant van het bestaan'.